Er stak een storm op, zo hevig, dat de makkers van Titus zeiden: Titus, je kan doen wat jij wil, wij gaan terug naar huis. Vloekend zei hij: dan gaan jullie toch, ik laat mij niet tegen houden. Eindelijk komt hij aan bij de kerk, bind zijn paard vast en stapt naar binnen. De prediker is juist bezig Jezus als het Licht de wereld aan te prijzen.
De Christus als voor ogen te schilderen in Zijn liefde, Zijn genade en trouw.
Als de Zaligmaker, niet van nette brave mensen maar van zondaren, God zoekt het verlorene, Hij rechtvaardigt goddelozen en vijanden worden met Hem verzoend, roept de prediker uit. En klaar is Titus Klose, hij valt voor dat woord, Het Licht bescheen hem in zijn duistere praktijken om hem te redden. Een kind der duisternis werd kind van het Licht.
Wij kunnen ons wel te goed voelen maar wij zijn nooit te slecht, te zondig, te ver bij God vandaan om door dat Licht beschenen te worden. Zo ruim is het bij de Heere hoor, Hij sluit niemand buiten dat doet u uzelf. Hij zegt: “en wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. Zondaren zijn welkom om van zonden verlost kinderen van het Licht te worden.
En u weet toch ook wel van die visser, die berucht stond om zijn vloeken? Mensen gingen hem maar graag uit de weg. Zo`n beest van een mens. Tot dat er een predikant in die plaats beroepen wordt en het beroep aanneemt. Een nieuwe dominee in het dorp. De eerste tijd ging er een ouderling mee op huisbezoeken. Op een keer zegt de dominee: broeder wij gaan morgen naar Pleun de visser toe. Verschrikt zegt de ouderling: o nee, dominee, dat moet u niet doen, daar is geen eer aan te behalen. Maar de dominee houdt vol en zegt: hij staat ingeschreven in deze gemeente, hij hoort er bij, dus morgen gaan wij op bezoek. En zo gebeurde het ook.
De visser was een net aan het repareren toen de deur openging en de dominee met zijn ouderling binnenstapte. De dominee stelde zich voor en informeerde geïnteresseerd naar het beroep visser. Hij vroeg maar en vroeg nog meer en de visser kreeg gewoon de smaak te pakken. Nou, zei tenslotte die visser, zo`n dominee mag nog wel een babbeltje komen maken. Ja maar, zei toen de dominee: nu ben ik bij jou geweest, nu is het jou beurt om bij mij een bezoek te brengen.
Ik wil je dringend vragen om zondagmorgen bij mij in de kerk te zijn. Het bleef best wel even stil. Eindelijk zei de visser: als je over vissen preekt dominee, dan wil ik komen maar anders niet. Afgesproken zei de dominee, ik preekt over vissen en jij luistert mee.
Innig bad de predikant om licht van de Heilige Geest bij de voorbereiding van de preek. Innig bad hij of God de visser wilde vangen in het Evangelienet. Zondagmorgen ging de visser onwennig en een beetje bedeesd naar de kerk, achterin ging hij zitten, dat was ver genoeg.
De kerkgangers keken verwonderd dat die man in de kerk was, daar werd druk over gesmoesd.
De dominee preekte die morgen over de discipelen die heel de nacht niets gevangen hadden en dat er dan een vreemdeling tegen hun zegt: werp je net aan de andere zijde. Waarop een geweldige vangst volgde. Er werd goed geluisterd. Niet in het minst door de visser. Jezus als het Woord des levens en als het Licht des levens gaf het woord kracht en liet het naar binnengaan bij die visser. En toen die morgen de kerk uitging zei die vloeker, de visser: nu ben ik gevangen, God heeft mij beet gegrepen, hier kom ik niet meer van los.
En in plaats van vloeken kon men hem al vissend de psalmen horen zingen. Want Gods woord is met kracht.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten